WordLab #1 — Veerkracht
- cmlaros
- 9 uur geleden
- 5 minuten om te lezen
Wanneer terugveren niet hetzelfde is als doorgaan
Er zijn van die woorden die je overal tegenkomt, vooral in periodes waarin alles nét wat drukker voller voelt. Veerkracht is er zo één. In teamoverleggen, in nieuws over onderwijs en gezondheid, in LinkedIn-posts onder foto’s van mensen die “even doorpakken”. Het klinkt vaak als een compliment, maar soms ook als een opdracht die je stilletjes op je schouders krijgt gelegd: jij bent veerkrachtig, dus je redt het wel.
En toch, als je heel eerlijk bent, kan dat woord ook verwarrend zijn. Want wat bedoelen mensen eigenlijk als ze het zeggen? Dat je niet mag instorten? Dat je altijd weer snel “normaal” moet functioneren? Of dat je vooral niet te veel last moet hebben van wat er gebeurt? Op dat punt wordt veerkracht een soort vaag ideaal, terwijl het juist een woord is dat ooit heel concreet begon.
Veerkracht komt namelijk uit een wereld waarin men graag dingen meet. In techniek is veerkracht simpel: een systeem krijgt een klap en keert terug naar functioneel normaal. Denk aan een brug die belasting opvangt, een netwerk dat na een storing weer draait, een organisatie die na een incident weer “up” is. De kernvraag is dan: hoe snel ben je weer werkend, en wat kostte het om daar te komen? Dat maakt het begrip aantrekkelijk, want je kunt het vangen in herstel-mogelijkheid, tijd en capaciteit.
En dan gebeurt er iets interessants zodra je die definitie op mensen plakt. Want ineens wordt het ongemakkelijk herkenbaar. Hoe snel ben jij weer functioneel na een conflict? Na slecht nieuws? Na weken te weinig slaap? Na een periode waarin je meer moest dan je eigenlijk kon dragen? Als veerkracht alleen “snel weer aan” is, dan gaan veel mensen daar een prijs voor betalen zonder dat ze het doorhebben.
Daar komt de tweede laag in beeld: mensen zijn geen stalen veren. In een technisch model kun je doen alsof je altijd terugkeert naar dezelfde vorm, alsof er één “normaal” bestaat waar je altijd naar terug kunt. Maar in wetenschappelijke literatuur over veerkracht (van systemen tot menselijk functioneren) zie je iets anders terug: er zijn grenzen aan wat je kunt opvangen zónder te veranderen. Dat werkt bijna als een drempel. Zolang je eronder blijft, herstel je richting je oude niveau. Ga je eroverheen, dan ontstaat er iets nieuws.
Dat “nieuwe” hoeft niet per se iets kapots te zijn. Het kan ook herkalibratie betekenen. Soms word je scherper in wat je nodig hebt. Soms wordt je stresssysteem sneller actief, alsof je lichaam alvast een voorschot neemt op de volgende klap. Soms wordt je wereld kleiner, omdat je reserves lager liggen dan voorheen. En dit is precies de nuance die veel mensen missen wanneer ze over veerkracht praten: het gaat niet alleen om de grootte van de klap, maar ook om de vraag hoeveel buffer je nog had vóórdat die klap kwam. Als je al weken op twintig procent loopt, kan een klein conflict ineens voelen als een betonblok.
Daarmee komen we bij twee hardnekkige misverstanden. Het eerste is dat veerkracht hetzelfde is als hard zijn. Alsof veerkracht betekent dat je nooit instort, altijd doorgaat, altijd sterk blijft. Maar hardheid zegt vooral: negeer wat je voelt en zet door. Veerkracht doet iets anders: veerkracht maakt herstel mogelijk. Het is niet een heldenmodus, het is een vaardigheid om te merken wanneer je systeem op druk reageert en daar op tijd iets mee te doen.
Het tweede misverstand is dat veerkracht altijd “terug naar hetzelfde” betekent. In psychologie wordt steeds vaker benadrukt dat herstel ook kan betekenen dat je uitkomt op een nieuwe baseline. Je komt terug, maar niet exact naar je oude normaal. Je systeem past zich aan, soms op een manier die helpend is, soms op een manier die je later pas gaat begrijpen. En precies hier wordt veerkracht persoonlijk, want dan gaat het niet meer over “sterk zijn”, maar over jezelf leren lezen.
Veel mensen hebben namelijk geen woorden voor hun baseline. Ze kennen vooral twee standen: ik functioneer en ik trek dit niet meer. Maar daartussen zit een hele wereld. Je baseline is niet je beste versie op je beste dag. Je baseline is hoe je meestal bent als je systeem stabiel is. Hoe je ademt, hoe je tempo voelt, hoe je hoofd klinkt, hoe je sociale batterij werkt. Zolang je dat niet kunt benoemen, merk je vaak pas dat je over je grens bent als je er al ver overheen zit.
En dan wordt grenzen bewaken een lastig verhaal, omdat grenzen zelden beginnen als een luid “stop”. Bij mensen beginnen grenzen vaak als kleine signalen die je wegwuift. Je wordt sneller geïrriteerd. Je adem zit hoger. Je vergeet meer. Je scrolt onrustig. Je hebt minder zin in contact, of juist meer behoefte aan controle. Je slaap verschuift, je cravings nemen toe, je gedachten worden strakker en dwingender. Het zijn geen zwaktes. Het zijn meters op je dashboard. En veerkracht begint dus eerder dan veel mensen denken: niet bij herstel achteraf, maar bij herkennen onderweg.
Als je veerkracht benadert vanuit proces én engineering, wordt het ineens heel praktisch. Engineering vraagt: hoe kom ik terug naar functioneel normaal? Proces vraagt: wat gebeurt er onderweg, welke stappen zijn er, welke buffers heb ik, welke keuzes maak ik? Samen vormen ze een nuchter maar menselijk beeld: veerkracht is herstelbaarheid, geen heldendom. De sleutel zit dan niet in “meer kunnen”, maar in op tijd bijsturen—al is het klein.
Dat bijsturen ziet er meestal niet spectaculair uit. Het zijn geen grote life hacks, geen superheldentrucs. Het is microgedrag: herstel organiseren voordat je het nodig hebt, je grenzen woorden kunnen geven, en kleine herstelacties durven kiezen op het moment dat je liever zou doorduwen. In systemen heet dat onderhoud. In mensenlevens voelt het vaak als “ik neem even ruimte”, wat we al snel bestempelen als lastig of zwak. Terwijl het juist de basis is van herstelbaarheid.
Misschien is de meest eerlijke vraag dus niet: ben jij veerkrachtig? Maar: ken jij jouw signalen? Weet je waar je uit balans raakt? Weet je wat je onderhoud is, en wat als eerste sneuvelt als het druk wordt? En durf je die dingen te benoemen, zonder jezelf meteen te veroordelen?
En soms, als we helemaal eerlijk kijken, is er nog een diepere laag. Want wat nou als de klap wél te groot was? Dan is terugveren naar exact hetzelfde punt niet altijd realistisch. Dan ontstaat er een nieuwe versie. Dat kan pijnlijk zijn, maar het kan ook volwassenheid brengen. Soms is veerkracht niet: “ik ben weer de oude.” Soms is veerkracht: “ik ben een nieuwe versie met betere grenzen.” Dan verschuift de vraag van “hoe snel ben ik weer oké?” naar “wat moet er anders in mijn systeem zodat ik niet steeds op hetzelfde punt breek?”
Veerkracht is dus geen badge, en het is ook geen karaktereigenschap die je wel of niet hebt. Het is een set leerbare vaardigheden waarmee je jezelf bestuurt onder druk. Het vermogen om terug te keren naar wat werkt—en als dat niet meer kan, het vermogen om een nieuw ‘wat werkt’ te bouwen. En dat begint verrassend vaak met iets eenvoudigs: woorden geven aan je eigen baseline, zodat je grenzen niet pas verschijnen als ze al lang zijn overschreden.





Opmerkingen